ALS EERBETOON AAN ONDERDRUKTE VROUWEN

‘Ik sla mijn ogen neer. Niet huilen, zeg ik tegen mezelf, houd op. Je bent niet zwak, je mag niet zwak zijn. Wees als je moeder – heb je haar ooit zien huilen? Wat er ook gebeurde, veel meer dan af en toe natte ogen heb je bij haar niet gezien. Ze liet de tranen nooit toe om te ontsnappen.’  

Zo grauw als de buitenkant van het boek De engelen van Elisabeth is, zo is de binnenkant dat minstens ook. Els Florijn neemt de lezer mee naar Dordrecht in de negentiende eeuw. We kruipen in de huid van de jonge vrouw Elisabeth, wie verdacht wordt van de moord op twee van haar vier kinderen. Ze wordt verklaard als krankzinnig en meegenomen naar een gesticht. De hoofdstukken wisselen zich beurtelings af in het heden en herinneringen uit de jeugd van Elisabeth.

JE GAAT ALTIJD DOOR

‘Aan de lange kant van de tafel zit een man met een smal gezicht, donkerblond haar , donkere ogen en een snorretje. Hij heeft iets in zijn houding waardoor ik naar hem blijf kijken. In zijn ogen schuilt vriendelijkheid en om zijn mond ligt niets afkeurends als hij mij aankijkt. Als hij een vrouw zou zijn, had ik hem aardig gevonden.’ Wat kenmerkend naar voren komt, is de strijd van vrouwen toentertijd. Het boek wordt ook wel omschreven als een eerbetoon aan onderdrukte vrouwen. Dit aspect zien we terug in de verhoudingen die Elisabeth heeft tegenover mannen in haar leven; haar vader gaat er geregeld vandoor met het geld dat zij en haar moeder verdienden, haar man Julius is niet vreemd van dronkenschap en de mannen die over haar beslissen voor ze naar het gesticht gaat, komen bars over. Haar moeder ging gebukt onder het leed wat haar man haar aandeed. ‘Doorgaan Elisabeth. Je gaat altijd door. Wat er ook gebeurt, hoeveel pijn je ook hebt. Heb je me begrepen? Altijd.’

Jan is de scherpe doorn in mijn vlees. Jan doet mij zeer door er te zijn, maar het is een zoete pijn. Ik had liever dat hij minder op mij leek. Jan maakt het te moeilijk om alles hier voor een tijd achter te laten.’ Wanneer Elisabeth naar het gesticht gaat, wordt ze gescheiden van haar twee zoontjes Jozef en Jan. Vooral de liefde die ze voor Jan koestert komt duidelijk naar voren in het boek.

Mijn stem klinkt schor. Ik wil zo graag dat iemand iets tegen me zegt, in plaats van langs me heen. Alle woorden worden zo gesproken dat ik erbuiten val. Ik ben Elisabeth. Ik zou willen dat iemand hier me bij mijn naam noemde.’ De hoofdstukken over het gesticht zijn diepgrijs. Koude vloeren, koude zusters en wreedheid kenmerken wat er binnen het gebouw gebeurt. De vrouwen in het gesticht voelen zich machteloos, opgesloten en onbegrepen. Ze dragen vormeloze jurken, ondergaan koude baden en worden mishandeld door verpleegsters. In het boek lezen we van één verpleegster die mild is tegenover de vrouwen; zuster Rading. Haar aanwezigheid is als een verwarmend licht in een koud gebouw.

‘VANBINNEN, WEET U’

Als lezer wordt je enerzijds bevangen door de onmacht die Elisabeth ervaart in een wereld die haar beschuldigd. Tegelijkertijd roepen haar ervaringen en gedrag ook vragen op. Wat betekenen de nachtelijke wandelingen die de hoofdpersoon geregeld heeft? Hoe zijn de ervaringen waarin ze een engel lijkt te zien te plaatsen? Hoe groot is haar eigen aandeel in het feit dat ze terechtgekomen is in een gesticht? Of hebben we te maken met een valse beschuldiging? Deze spanning houdt de auteur tot op de laatste bladzijde vast. ‘’Mijn moeder bloedde, ‘ zeg ik. In de stilte die volgt, klinkt het dokkeren van de koetswielen op de keien veel te luid. ‘Mijn vader stak haar in haar buik. Toen bloedde ze, maar lang daarvoor bloedde ze ook al. Vanbinnen, weet u.” Het boek vraagt erom in één adem uitgelezen te worden, niet alleen door de spanning, maar ook door de poëtische bewoordingen die als kunstwerken verscholen liggen in de bladzijden. Meer informatie vind je hier.

TEKST HANNA KATER // BEED STYLING BY BEAUTIFUL STORIES

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *