train with smoke

DE TREIN NAAR SAMARKAND 

Een vuistdikke roman van ruim vijfhonderd pagina’s met op de voorkant een foto van een locomotief. Wanneer je het openslaat, lijkt het alsof je meereist met de trein die in 1923 vanuit de Russische stad Kazan naar Samarkand. 

De passagiers in de trein zijn voornamelijk kinderen, bijgestaan door treinchef en burgeroorlog-veteraan Dejev, arts Boeg, commadant Belaja en de zusters. Er heerst een enorme hongersnood in het land; om het Rode Leger te kunnen voeden hebben de Bolsjewieken de boeren in het Wolgagebied hun voedselvoorraden ontnomen. In het boek komen afschuwelijke voorbeelden voor waarin de gevolgen van extreme honger snijdend naar voren komen. ‘Een meisje van een jaar of vier of acht- zo mager dat niet te zien was hoe oud ze was- zit op een hoop stro in een hoek en strekt haar handen naar de bezoekers uit. Haar wijd opengesperde ogen, wit als twee gepelde gekookte eieren, staren naar Dejev. Haar hand, gevouwen als een bootje, zweet in de lucht. Blind, begreep hij. Ze vraagt om een aalmoes en gaat op het geluid af.’ Ook in de trein zijn de nodige gevaren, zoals bij een cholera uitbraak. ‘Naar hun gezichten probeerde hij niet te kijken, hij kon hun blik niet verdragen. Die was bij alle zieken hetzelfde: wijs als van oude mensjes en volkomen onverschillig. Kinderen horen niet zo te kijken. Niemand hoort zo te kijken.’

Goedheid vereist moed 

Tijdens de treinreis raken de voorraden regelmatig op. Treinchef Dejev gaat tijdens tussenstops op speurtocht naar voedsel, water en kleding voor de kinderen. Dit maakt niet dat het verhaal enkel avontuurlijk en spannend is; de boodschap van het boek gaat dieper dan dat. Morele kwesties komen aan de orde, zoals de vraag naar het goede. Elk zwerfkind dat de trein passeert, wil Dejev meenemen. Commissaris Belaja denkt daar anders over. ‘’Goed zijn, dat is iets anders dan iedereen maar gouden bergen beloven. Dat is iets anders dan zuchten en tranen vergieten over arme zieke kindertjes. Iedereen laten zien wat een barmhartige ziel je bent!’ zei ze zacht, maar ze had het beter uit kunnen schreeuwen. ‘Goed zijn, dat is overal aan denken. Overal rekening mee houden. Alles voorzien. Goed zijn, dat moet je kunnen.’ Later spreekt Belaja opnieuw tot Dejev: ‘Goedheid vereist moed. Een stevige ruggengraat en scherpe tanden, anders is het helemaal geen goedheid, maar slapheid.’  Ook in een gesprek met de oude dokter Boeg komt goedheid naar voren. Als Dejev hierover spreekt, hoor je zijn oorlogsverleden tussen de zinnen door klinken. ‘Je hebt groot gelijk, wat zou het mooi zijn om eens zuivere goedheid mee te maken! Aan alle kanten rond en niet bezoedeld door de zonden van een vorig leven. Ik hoop er ooit iemand gevonden wordt, al is het er maar één op de hele wereld, die geen enkele maal iets slechts heeft gedaan. En dat die iemand dan de wereld over ging en alleen maar goede daden deed, en dat de anderen naar hem keken en zich warmden aan zoveel deugdzaamheid. Maar zulke mensen zijn er niet. Die zuivere goedheid bestaat niet. Maar je kunt er wel van dromen. En met die droom leven we.’ Wat laat je van jezelf zien wanneer je met de ander in verbinding staat? Ook één van de vragen waar Jachina niet aan voorbij gaat in het boek. Boeg zegt tegen Dejev dat hij nooit iets over zichzelf vertelt. ‘’Ik mag dan niet al te spraakzaam zijn, maar in al die weken heb ik mijn hele leven aan je verteld (…). Omdat jij en ik twee mensen zijn, en niet twee balken op een houtstapel. En jij, je lijkt zo simpel als een kwartje, of als gras langs de weg, maar o, wat ben je ingewikkeld! Geen woord over jezelf heb je losgelaten.’’

Taal verslijt niet 

Het boek is ook luchtig. De bijnamen van de kinderen zijn karakteristiek, zoals Fedja Botte Bijl of Aramis Vuilnis. De taal van de kinderen was hun rijkdom. Jachina beschrijft dit in poëtische termen: ‘Taal versleet niet zoals schoenen, kwam niet onder de luizen te zitten zoals ondergoed, maar werd iedere dag alleen maar rijker en fraaier. Hij onderwierp zich aan de bezitter en maakte zich aan hem ondergeschikt. En het voornaamste: hij verraadde hem nooit, maar bleef altijd bij hem.’

Zoals taal niet verslijt, blijft dit verhaal ook rondzingen vanbinnen nadat je het boek hebt dichtgeslagen. Een verhaal over moed, barmhartigheid en onderdrukking. Meer informatie over deze titel kan je vinden op deze site.

Laat een antwoord achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *