PARADIJS TUSSEN DE WILGEN

Een jongen die het liefst in de een hut bouwde in de natuur en zich daar verwonderde over alles wat hij zag. Een jongen die nadacht over het leven, het geloof en de geschiedenis. Deze jongen heet Waldo in het boek ‘Wilgenparadijs’; een afspiegeling van Ewald Mackay in zijn jonge jaren. Hoe kwam hij ertoe om een autobiografische verhalenbundel te schrijven?

‘Ooit droomde ik als jongen om een schrijver te worden van spannende jongensboeken zoals Snuf de hond en De vier vrienden van Piet Prins. Die droom heb ik deels waargemaakt doordat ik, naast mijn werk als docent aan Hogeschool De Driestar, een twaalftal studieuze boeken heb geschreven.’ Nadat Ewald Mackay het twaalfde studieuze boek had geschreven, kreeg hij de sterke drang om in de richting van een verhalenbundel of roman te gaan. Geen jongensboek, maar wel een stap in die richting! 

‘Het boek Wilgenparadijs is iets tussen een roman en een verhalenbundel in geworden; het zijn zestig verhalen, die je kan lezen als kralen aan een ketting. Ze vormen een eenheid daarin dat ze over mijn kindertijd en jeugd gaan. Ze vertellen over de dingen die ik als kind en als middelbare scholier heb meegemaakt in Sliedrecht, een dijkdorp tussen de Merwede en de Alblasserwaard.’ 

Ik vroeg hem of het niet lastig was om gebeurtenissen uit het verleden op papier te krijgen. Ewald Mackay reageerde ontkennend: ‘Het ging vanzelf. Ik had nog vele herinneringen aan mijn verleden. Toen ik eenmaal begon te schrijven, openden zich als vanzelf vele vergeten herinneringen. Die lagen alle nog op de zolder van mijn geest te wachten tot ze wakker werden gekust! Dat is zo’n wondermooi proces.’ Waar hij wel tegenaan liep was het recht doen aan de mensen die in zijn boek een rol speelden. ‘Dat zijn allemaal mensen die bestaan hebben of die nog leven en die wilde ik recht doen.’

Twee luiken

Het boek bestaat uit twee delen, die luiken worden genoemd. ‘Het eerste luik gaat over mijn kindertijd vanaf mijn geboorte in een huisje bij de Merwede tot en met de lagere schooltijd. Hierin vertel ik over mijn grootouders en ons gezin. Met name mijn grootouders hebben een hele grote rol in mijn leven gespeeld. Ze vertelden over de Eerste en de Tweede Wereldoorlog en die verhalen heb ik hier vastgelegd zodat hun geschiedenis niet verloren gaat. 

Het tweede luik gaat over mijn middelbareschooltijd. Dat waren de jaren op de Guido de Brès in Rotterdam. Het was de tijd waarin ik ontwaakte en na begon te denken over de kerk waarin ik was grootgebracht en waaraan ik bepaalde twijfels kreeg. Ik ging vele boeken lezen en had gesprekken tot diep in de nacht met vrienden. Uiteindelijk is na een periode van crisis het in mijn zeventiende levensjaar echt omgegaan. God heeft mij aangeraakt.’

Reformatorisch opgevoed – een dubbel gevoel

Ewald Mackay is reformatorisch opgevoed, een ervaring die hij als dubbel ervaart. ‘Aan de ene kant als zeer positief. Het is een oerwereld met een absoluut wereldbeeld. Ik voelde diep vanbinnen haar ernst. Het gaat in het leven om de grote dingen van God en mens. Dat waardeer ik zeer. Aan de andere kant heeft zij de geloofstwijfel tot haar zekerheid gemaakt, om zo te zeggen. Ik heb aan mijn eigen grootouders en ouders en vele anderen gezien hoe ze tot hun dood totaal onzeker waren over of ze een kind Gods waren. Haar theologie is in zekere zin scheefgegroeid en eerder Germaans fatalisme dan christelijke genade. Het gevolg is dat velen – en zeker ook jongeren – het geloof als iets zien dat ver weg is, en dat ze dan van de weeromstuit voor de tijd dat ze hier op aarde zijn er iets leuks van gaan maken. Hierdoor ontstaat een zeker dualisme. Ik vind dat heel jammer. Meestal krijgen de jongeren daar de schuld van, maar ik vind het eigenlijk een logisch gevolg van een scheefgegroeide theologie, dus zij mag dit zichzelf aanrekenen. Maar dat doet zij niet en zij oordeelt meestal keihard over de ander die er net wat anders over denkt.’

Jongeren die nu opgroeien in de reformatorische wereld wil hij meegeven dat ze niet cynisch moeten worden over alle ruzies over allerlei kwesties waarin we elkaar genadeloos de maat nemen. ‘Richt je op Gods Woord zelf en lees dat zo eenvoudig en onbevangen mogelijk. Of lees de geschriften uit de vroege kerk van de eerste vijf eeuwen, waar nog een klassieke breedte en ruimte is (ook al was daar ook strijd). In de vroege kerk speelt de hele problematiek die bij ons speelt nauwelijks; dat helpt je om op een frisse, naturelle manier opnieuw te kijken naar kerk en geloof.’

Verlangen naar de oerwereld

De schrijver wil met Wilgenparadijs vooral de verhalen vastleggen van gewone mensen zoals zijn grootouders. ‘Ze komen in de geschiedenisboeken niet voor, maar hebben in alle ernst hun leven geleid en zijn het waard om herdacht te worden. Ik hoop dat de verhalen herkenbaar zijn voor de ouderen, die die tijd ook hebben meegemaakt en dat ze verlangen oproepen bij de jongeren. Mijn kinderen zeiden, nadat ze het gelezen hadden: ‘Papa, deze wereld bestaat niet meer. Wij hadden hierin wel geleefd willen hebben.’ Ik hoop dan maar dat iets van die oerwereld met grienden en hutten en zelfgemaakte vlotten bij de jongeren nog herleeft door dit boek!’ 

Meer informatie over het boek vind je hier: https://www.debanier.nl/wilgenparadijs 

Laat een antwoord achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *